Hazenjagen / Hare hunting

HAZENJAGEN

 

Wij joegen op fazanten, hazen, eenden en patrijzen.

Laat in de middag gingen wij het veld in.

Tot de schemer lagen wij in een slootswal.

 

Op een dag waren wij ergens waar ik niet vandaan kwam.

Ik was drijver; naast mij vloog een eend uit het riet.

De beste schutter schoot met één zwaai van de loop.

 

Bij iemand zaten wij na; er was veel geschoten.

Ik kreeg een stuk roggebrood met gerookt spek.

De jagers rookten, een vrouw vulde romers.

 

In het wagenpad van de schuur waren hazen met de achterpoten aan een gebint gebonden.

Voordat ze gestroopt werden hingen ze een tijdje met de kop omlaag.

De schutkleurvacht gaaf, bloed aan de snuit, een Leeuwarder Courant op het beton.

 

 

HARE HUNTING

 

We hunted for pheasants, hares, ducks and partridges.

Late one afternoon we went into the fields.

Until dusk fell we lay on the edge of a ditch.

 

One day we hunted somewhere I didn’t come from.

I was beater; close to me a duck flew out of the reed.

The best shooter shot with one swing of the barrel.

 

In someone’s house we stayed behind; we’d shot a lot.

I got a slice of rye bread with smoked bacon.

The hunters were smoking, a woman filled rummers.

 

Hares were tied up in the barn on a truss by their hind legs.

Before they were skinned, they hung with their heads down for a while.

The camouflaged fur intact, blood on the snout, a local paper on the concrete floor.

Translation: NeedSer, Thesinge

ontwerp: ehgz.nl & realisatie: webstove